Ton Zijtregtop, huisarts:
'Ik ben een "duizend-dingendoekje"'

‘Ik ben vooral geïnteresseerd in de mens achter de ziekte. Sterker nog, het ziek-zijn is mijn toegang naar de mensen toe. Daarbij vind ik het belangrijk om mensen de betrekkelijkheid van ziek zijn te laten inzien. Ziek zijn hoort nu eenmaal bij het leven,’ zegt Ton Zijtregtop, huisarts in het Rotterdamse Liskwartier. ‘Want ook al ben je ziek, je moet wel doorgaan met leven en niet je hele leven daardoor laten beïnvloeden.'

Toen Ton als huisarts begon, dacht hij dat hij dit beroep niet langer dan een jaar of tien zou volhouden. ‘Ik vond het zo zwaar, had geen enkele ervaring, alle patiënten waren nieuw, ik wist te weinig en stootte nogal eens mijn kop. Maar gaandeweg deed ik meer ervaring op en werd het makkelijker en vooral ook leuker. Nu leid ik zelf afgestudeerde artsen op tot huisarts. Het proces dat ik toen meemaakte, zie ik bij hen terug . Kennis moet groeien, vergelijk het maar met een boom. Je begint met een kale boom, daaraan groeien langzaam takjes en blaadjes van kennis en ervaring en daardoor wordt de boom steeds voller. Die boom is van onschatbare waarde, maar wel eindig. Want ook ik ga op een dag met pensioen. Ik moet mijn kennis dus goed en op tijd overdragen. Dat betekent ook dat een deel van mijn patiënten met hun klachten bij de arts in opleiding terecht komt. Dat vinden patiënten niet altijd leuk, maar als ik dat nu niet doe, dan hebben ze straks geen huisarts meer waarop ze kunnen vertrouwen.

Wat doet een huisarts?
‘Ik manoeuvreer mijn patiënten als het ware door het “gezondheidsland”. Ik probeer een diagnose te stellen, verwijs waar nodig door naar specialisten, geef voorlichting en stel mensen gerust. Als huisarts kijk ik naar de mens als geheel. Dus niet alleen naar iemands lichaam, maar ook naar de thuissituatie, de buurt waarin iemand woont, buren, werk en natuurlijk ook karakter. Uit ervaring weet ik dat een huisbezoek veel informatie kan opleveren. Het komt voor dat een patiënt al een tijd met bepaalde klachten naar de praktijk komt en ik er maar niet achter kom wat er aan de hand is, terwijl het kwartje wel valt op het moment dat ik voor het eerst bij iemand thuis kom. Bij een huisbezoek zie je hoe iemand woont en leeft en daaruit kun je veel afleiden. Het liefst doe ik trouwens mijn huisbezoeken tijdens de avond- of nachtdienst. [lacht:] Zeker ‘s nachts kun je in de meest bizarre omstandigheden terecht komen.

Aan de manier waarop mensen binnenkomen en me een hand geven, kan ik vaak al zien wat het probleem is. En in tegenstelling tot een specialist in het ziekenhuis kennen wij de meeste van onze patiënten. In de loop der jaren bouwen we een band op en maken we dingen met ze mee. En ook al hebben we in onze praktijk 3.000 patiënten, ik ken ze bijna allemaal. Namen onthouden kan ik niet, maar als ik een persoon zie, dan weet ik vaak al voldoende.

Soms is huisarts zijn alleen maar een kwestie van aandacht geven. Als iemand elke week langs komt om te klagen over haar gewrichten terwijl ze 75 jaar is, 114 kilo weegt en 1.63 lang is….Dan luister ik geduldig tien minuten lang naar de klachten. Ik kan eigenlijk geen oplossing bieden, maar het feit dat ik haar wil aanhoren, is dan al voldoende. Dan is het voor haar weer even draaglijk.’

Wat is een belangrijke eigenschap voor een huisarts?
‘Een patiënt moet een huisarts goed en doortastend, maar vooral aardig vinden. Het moet “klikken”. Ik heb met veel patiënten uit de praktijk een goede band, maar er zijn er ook die mij een ontzettend nare man vinden en bij mij weg gaan. Dat vind ik natuurlijk niet leuk, maar ik doe wat in mijn hart zit en pas mij niet aan aan de persoon die tegenover mij zit. Ik ga geen toneel spelen, want dat hebben mensen door en juist dan gaat het mis.’

Hoe ziet een gemiddelde werkdag er uit?
‘Die heb ik niet echt. Ik zie mezelf meer als een duizend-dingen-doekje…. Hoe vaak ze niet tegen mij zeggen: “Ton, kun je even….”. Mijn dag bestaat uit duizend van die “evens”…. Maar de meest simpele variant van mijn werkdag is dat ik van 08.00 – 11.15 uur spreekuur houd en dat zit altijd vol. Per uur doe ik ongeveer zes patiënten, dus tien minuten per persoon. Dat haal ik niet altijd…. Daarna handel ik zaken af die zo gedurende de dag binnenkomen, zoals verwijskaarten uitschrijven en uitslagen doorgeven. Daarna rijd ik visites en na de lunch volgt het middagspreekuur van 14.00 en 16.00 uur. Als het nodig is, rijd ik ook ’s middag nog wat visites, handel ik telefoontjes af en zijn er natuurlijk ook allerlei administratieve verplichtingen. Tot slot evalueer ik de dag met de arts in opleiding en dan ben ik rond 17.30 uur klaar. Ook in de avonduren handel ik vaak nog wat post en mailtjes af en heb ik gemiddeld twee keer per week een vergadering of doe ik aan nascholing.’

Is het beroep anders dan vroeger?
‘Jazeker, dit beroep is enorm veranderd. Vroeger had je, samen met je echtgenote, praktijk aan huis en had je een bepaalde status. Huisartsen werkten solistisch, maar omdat steeds meer instanties zich gingen bemoeien met preventie en zorg, werden we als het ware uit ons eigen huis getrokken. Ook bleek dat als huisartsen samenwerkten, het verwijsgedrag omlaag ging omdat ze dingen met elkaar konden overleggen en er meer kennis beschikbaar was.

Ook de zorgvraag is anders dan vroeger. Mensen beschikken dankzij internet zelf al over veel kennis en maken zich daarom vaak druk over dingen waar ze zich niet druk over hoeven te maken. Ook worden de huisartsenposten tijdens de avonden en weekenden veel vaker dan vroeger bezocht, die toestroom groeit met 10% per jaar. Het is trouwens wel zo dat er enorm gejokt wordt aan de telefoon over de reden waarom mensen zo lang gewacht hebben om naar een dokter toe te gaan…’

Wat vind je leuk aan je eigen praktijk?
‘Ik zit in een praktijk waarin vier huisartsen en allerlei andere zorgverleners met elkaar samenwerken. Onze patiënten kunnen hier dus voor allerlei medische diensten terecht, zoals de fysiotherapeut of de apotheek. Onze praktijk staat in een multiculturele wijk. Alleen in mijn praktijk is al sprake van 66 verschillende nationaliteiten. Met het merendeel kan ik heel goed door de bocht. Taalbarrières zijn er niet echt. Het aantal mensen dat absoluut geen Nederlands spreekt, is maar heel klein. Meestal komt er dan een familielid mee die het gesprek kan vertalen. Als er al taalproblemen zijn, dan lossen we die samen wel op. Het feit dat deze praktijk zo divers van samenstelling is, zorgt voor een bepaalde dynamiek die ik geweldig vind. Ik zie dat als toegevoegde waarde.’

Wat vind je vooral leuk aan je beroep?
‘Dat ik met allerlei facetten van mensen te maken heb. Daarom doe ik dit werk, om de mensen. Ik vind mensen fascinerend, zij vormen voor mij een onuitputtelijke bron.’