Robert Aartsen, Objectbeheerder Spelen gemeente Rotterdam: ‘Spelen, sporten of “hangen”, voor ieder wat wils'

Overal in steden en dorpen zijn grote of minder grote speelplekken ingericht. Die bestaan soms slechts uit een klimrek, de welbekende wip-kip en een glijbaan. Maar tegenwoordig zijn veel van dit soort plekken veel uitgebreider en kan er ook gesport worden. Wie onderhoudt die plekken en bepaalt de inrichting ervan? In grote gemeenten is dat de Objectbeheerder Spelen. Robert Aartsen is de Objectbeheer Spelen in de gemeente Rotterdam.

Robert Aartsen: ‘Ik ben verantwoordelijk voor alle openbare sport- en speelgelegenheden in Rotterdam. Dat zijn 1.260 locaties: speelplekken, openbare sportvelden zoals trapveldjes en basketbalvelden, Cruyffcourts en Krajicek-velden. Ja, dat is best veel en natuurlijk doe ik dat niet alleen, maar werk ik samen met een team.’

Hoe gaat dat in zijn werk?
‘Voor alle speeltoestellen en speelvelden geldt strenge wet- en regelgeving. Dat is natuurlijk logisch, het gaat om de veiligheid van kinderen en volwassenen. Wij hebben als beheerder van deze locaties zorgplicht. Dat betekent dat wij inspecteren of er geen beschadigingen of vernielingen zijn aangebracht. Is dat het geval, dan laten wij dit repareren. Per speeltoestel houden wij een logboek bij. Daar staat in wanneer het toestel is geplaatst, wanneer onderhoud moet plaatsvinden, of het bijvoorbeeld door vandalisme is beschadigd, wanneer en hoe het is gerepareerd en wanneer we het toestel moeten 

vervangen. Op die 1.260 plekken in Rotterdam staan in totaal 6.000 sport- en speeltoestellen.’

Jullie onderhouden alle speeltoestellen in Rotterdam, 6.000 stuks gaf je net aan. Hoe weet je dan wanneer er een kapot is en wat doen jullie vervolgens?
‘Gedurende het jaar lopen we drie inspectierondes en “draaien” we drie programma’s: storingsonderhoud, periodiek onderhoud en projectmatig onderhoud.’

Leg uit…
‘Ik geef een voorbeeld. Op het speelplekje bij jou in de straat is er schade aan de kunststof glijbaan. Een moeder van een van de spelende kinderen ziet dat en meldt dat aan de gemeente. Dat kan telefonisch, via de app of via de website. Wij gaan ter plekke kijken en bepalen hoe we verder handelen. Is er voor kinderen een gevaarlijke situatie ontstaan, dan treedt het calamiteitenprotocol in werking. We hebben dan twee opties: of direct repareren, of we halen het speeltoestel weg. Is de situatie niet gevaarlijk en kunnen de kinderen er veilig mee of op spelen, dan noteren wij dat in het logboek en nemen we het herstel van het toestel mee tijdens het jaarlijkse periodiek onderhoud. Projectmatig onderhoud van een speelplek doen we als de toestellen aan het einde van hun technische levensduur zijn, dat is doorgaans 15 jaar. In zo’n geval richten wij de speelplek helemaal opnieuw in.’

… Ik hou altijd rekening met calamiteiten en vragen van burgers, bestuur en collega’s. Ben daarom ook veel op straat....

Wie bepaalt er hoe zo’n plek eruit komt te zien?
‘Dat gebeurt altijd in overleg met de omwonenden. Rotterdam is verdeeld in veertien zogenaamde gebieden. Die gebieden worden geleid door de gebiedscommissie. Bij de gebiedscommissie kunnen bewoners terecht met wensen. Maar dit kan ook bij de zes gebiedskantoren van Stadsbeheer bij de wijkregisseur. Wordt er een locatie aangepakt, dan krijgen bewoners door middel van een bewonersbrief een uitnodiging om mee te denken over de inrichting van de speelplek. Dan komen zaken aan de orde als: alleen een speelplek voor kinderen, een plek om te sporten, denk aan een basketbalveld, of een plek waar ook ouderen kunnen verblijven. Natuurlijk is het afhankelijk van de beschikbare ruimte en het budget, maar de bewoners hebben absoluut zeggenschap. Zij weten namelijk waar behoefte aan is, hebben vaak zelf kinderen in een bepaalde leeftijdsgroep of behoefte aan sociaal contact in de wijk. Wij kijken of wij hun wensen kunnen uitvoeren. Ook vragen wij de bewoners of ze een rol willen vervullen bij het beheer van de speelplek of dat ze er bijvoorbeeld buurtevenementen willen organiseren.

Spelen, sporten en samenzijn is heel belangrijk voor mensen en voor kinderen. Daarom spreken we nu ook liever over verblijfplekken in plaats van over speelplekken.’

Zijn het alleen de bewoners die inspraak hebben bij de inrichting van een verblijfplek?
‘Nee, wij vragen ook advies aan de afdelingen Maatschappelijke Ontwikkeling, Jeugd en Sport van de gemeente. En natuurlijk vragen we het ook aan de kinderen zelf. Daar komen soms leuke ideeën uit. Zo ontwierpen en bouwden we op een paar plekken in de stad samen met de bewoners speeltoestellen. Dat was een leuk maar intensief traject. Je moet in deze functie dus ook goed met mensen kunnen omgaan. Zelf ben ik een techneut en die zijn doorgaans niet zo communicatief ingesteld. Maar bij mij zit dat wel goed.’ [brede lach]

Hoe ziet een doorsnee werkdag er voor je uit?
‘Die heb ik niet… Ik hou altijd rekening met calamiteiten en vragen van burgers, bestuur en collega’s. Ben daarom ook veel op straat. Twee dagen per week zit ik op een vaste plek en daar kunnen mijn collega’s langskomen met vragen en klachten vanuit hun gebied. Verder zit ik ook nog regelmatig op de gebiedskantoren zelf. Maar het meeste contact is toch via de telefoon en de mail.

Naast de werkzaamheden die ik al noemde, zit ik in diverse overlegorganen. Zoals het Regulier Overleg Warenwet bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik praat mee over de aanpassingen van de wet- en regelgeving. Dat is belangrijk, want een aanpassing heeft grote consequenties voor ons omdat wij zoveel locaties en speeltoestellen in beheer hebben. Verder worden speeltoestellen veelal gecertificeerd aan de hand van Europese normen voor speeltoestellen, ik zat daarvoor in de Normcommissie, maar door tijdgebrek ben ik daarmee gestopt. Ik ben er voor de stad.’

Is spelen ook aan trends onderhevig? Op de glijbaan en de wip-kip zijn kinderen toch snel uitgekeken?
‘Daar heb je een punt. Een speelplek ligt er voor 10-15 jaar. Dat betekent dat we die plek gedurende die periode alleen onderhouden en niet meer veranderen. Kinderen zijn doorgaans na twee jaar op zo’n plek uitgekeken. Dus hebben we het concept “Plug and Play” bedacht. Het inrichten van een speelplek kost veel geld, de ondergrond is net zo duur als de toestellen die erop staan. Door het Plug and Play-systeem kunnen we de toestellen eenvoudig verwijderen en plaatsen we nieuwe toestellen, maar laten we de ondergrond intact. We noemen dat verblijfplekken 2.0. Er komen niet alleen speeltoestellen maar ook bankjes voor ouderen, damtafeltjes en sportmogelijkheden. De eerste plekken zijn inmiddels ingericht. Na vier jaar onderzoeken we de behoeften in de wijk. Is iedereen tevreden, dan doen we niets. Wil de buurt wat anders dan passen we de plekken aan, als de wensen reëel zijn tenminste. De toestellen gaan naar het speeldepot voor hergebruik. Want die kunnen we weer op andere plekken plaatsen. We zijn zelfs van plan om met andere gemeenten die hetzelfde systeem hanteren, te gaan ruilen. Dat is een mooi voorbeeld van de circulaire economie.’

Wat is er zo leuk aan jouw baan?
‘Ik kan mij met nieuwe ontwikkelingen bezig houden en kan en mag plannen bedenken. Dat is ook het leuke aan Rotterdam. Ik krijg de vrijheid en het vertrouwen om dat te doen.’

We lopen naar het Skatepark Westblaak voor de fotografie. Robert is er heel enthousiast over deze plek. ‘Deze skatebaan ligt echt midden in de stad. Aan beide kanten raast het verkeer voorbij. Hoe urban kun je het hebben? Na een grondige renovatie is het park in juli 2016 heropend. Het ontwerp is van de Finse skatepark- en landschapsarchitect Janne Saario. Deze betonnen baan wordt enorm veel gebruikt, ook voor internationale wedstrijden. Het is echt een pronkstuk voor de stad.’